powemacatlog.punt.nl

 

Marcel Pinas in Utrecht, Overvecht

 

Jong Suriname op avontuur was het boek dat wij als kind verslonden.

En nu Marcel Pinas als Young Global Leader Overvecht verovert, komt deze titel weer bij mij boven. Reeds een week volg ik de kunstenaar in mijn rolstoel door de stad, die ik sinds 1967 de mijne mag noemen.

Toegegeven, Utrecht haalt het niet bij Groningen, dat sinds mijn zesde mijn hart heeft en zeker niet bij Paramaribo, waar ik ben geboren en nu als bejaarde steeds vaker naar toe reis. Maar hier werd mijn echtgenoot geboren, hier groeiden mijn kinderen op en hier zag mijn kleindochter voor het eerst de zon en de sterren.

 

Dus volg ik de Marronkunstenaar uit Marowijne, die uitgenodigd door Kosmopolis,  zijn sympathieke inleidingen houdt in de wijk waar ik zeven jaar heb gewoond, overal waar ik kan komen. Zelfs in de diepte van het station Overvecht, dat vanaf de straat voor mij slechts bereikbaar is via vele meters hellend plaveisel en ijzeren poortjes, langs volle fietsenrekken en slordig in de heg neergesmeten vehikels. Maar welke groupie zou hierover klagen. Ik vind een zonnige en later een schaduwrijke plek naast twee aardige landgenoten, die mij een koele dronk en een kokoskoekje aanbieden. Ik heb het volle gezicht op mijn idool, die vertelt wat hij in het oosten van Suriname voor de jeugd doet op cultureel gebied en waarom het zo belangrijk is, dat zij hun cultuur in stand houden.  Hij onderwijst de Overvechtse jeugd in de intriges van de slavernij en zijn eigen cultuur. Artist in residence in een Utrechtse wijk., waar veel te weinig cultuur is. Mijn sympathie had hij al lang, toen ik hem en zijn kunstobjecten voor het eerst zag op de tentoonstellingen in Paramaribo. De kokolampu van mijn ouma, die ik in drievoud in mijn vensterbank heb, zag ik tot mijn verrassing vele malen uitvergroot bij Fort Zeelandia staan.

 

Zitten onder 10.000 lepels, opgehangen aan ragfijne nylon draadjes geeft een  unieke dimensie aan het bestaan en stemt tot overdenken: wat als de draadjes breken en je bedolven wordt onder de lepels. Ik heb het volste vertrouwen in de kunstenaar... Gecharmeerd was ik van de interieurs van de pina hutten, waarin ik zo graag verblijf, de schoolklasjes uit het binnenland, de honderden katapulten en boodschappentassen. Maar de Afakatekens intrigeren mij nog het meest. Ik bezocht in Suriname mijn vriend Sunil Oemrawsingh die oorbelletjes voor mijn kleindochter maakte. Hij liet mij de schetsen zien van Marcel Pinas’ sieraden. Ik wilde meteen een paar oorbellen kopen, maar dat kon toen nog niet. Nu liggen ze in vitrines in de Utrechtse galerie. Toch wil ik ze liever bij Sunil kopen in de winkel van de goud-en zilversmid. Daar ontstaan ze. Daar horen ze thuis.

 

Denise Jannah zong in het Overvechtse station met haar gouden stem een ode aan Marcel, later met de vier Bijlmerzangeresjes van Jaden. Geïnteresseerd hoorde hij hen aan, een zonnebloem in zijn hand.

 “Je bent er ook!” riep hij mij na afloop toe.

“Dat had ik toch gezegd”, lachte ik.

 

En vanmiddag was ik met Ellen Ligteringen en Rutger Lem, mijn aanstaand bruidspaar, weer in Galerie Sanaa voor de opening van de solo tentoonstelling van Marcel.  Het is een bijna tropisch warme dag.  Je waant je in Paramaribo met al die luchtig en fleurig geklede mensen. Wel i verhouding weinig landgenoten, maar dat wijt ik aan de netwerken van de organisaties die hier opereren.

 

De beschilderde palen omringd door met zwart-witte pangistof  en  effen zwart  of wit beklede flessen zijn exemplarisch voor de kunstenaar. Schilderijen in felle kleuren of in zwart-wit van klein tot  metershoog met Afakatekens en pangi ruitjes.  De vitrine met de Boipili sieradenlijn. De video die in de kelder te zien is.

De inleiders eren de kunstenaar in alle toonaarden en dat is terecht. Geen enkele Surinaamse kunstenaar is in zo korte tijd in zoveel landen geëxposeerd en geroemd als deze jonge Okanisi uit Marowijne. We zullen nog veel van hem horen.

 

 

Cat, 9/9 2012

 
Lees meer...

Tante Juul

 

Tante Julie Brouwn was een dierbare vriendin van mijn moeder uit haar verpleegsterstijd. Net zoals ik op school bevriend was met haar nichtje, haar broers kind Erna Rinia, die wij liefkozend Brouwna noemden.

 

Tante Juul kwam in Groningen wonen in de jaren ’60 en wij genoten van haar aanwezigheid. Ze maakte lekkere hapjes, slaatjes, koeken, kippenboutjes etc. en bracht die altijd langs om “ te laten proeven”.

 

Zij had jaren op Curacao gewoond en gewerkt en vertelde daar smeuige verhalen over of liet kleren overkomen, die zij ons liet passen, zoals haar Guatemalajasjes, waar wij nog jaren plezier van hadden. Of bandeaus met aangenaaide oorringen, ringkammen en meer van dat soort spul.

De jongens kregen EP-tjes met muziek.

 

De verhalen over haar zus Mine en Paatje Douglas en hun muzikale kroost waren ook

legendarisch en inderdaad werden twee van hen zeer beroemd. Maar hoe zij begonnen was natuurlijk zeer authentiek.

 

Wij waren dol op tante Juultje die altijd mee ging op vakantie, zoals die zomer dat Cathrien en ik slaagden voor de HBS en Ma een mooie bungalow op Schiermonnikoog huurde en er met ons heenging met Elly en Pam. Wij hadden er een geweldige tijd en tante Juul kookte de lekkerste hapjes. Ma had toen al veel last van reuma en was blij met die hulp.

 

Het leukst was het als tante Juul bijvoorbeeld vertelde dat ze een “flat tyre” had en haar auto naar de garage liet slepen en dat met veel gebaren demonstreerde.

“Boy, have I a flat tyre?” “Yes mam!” riepen mijn broers dan in koor.

 

Tante Juul ging met Ma en Nell met de bus naar Oostenrijk en werd daar belaagd door een verliefde kippenboer uit Groningen, die wel wat in dit vrolijke weeuwtje zag. Zij echter niet en toen hij haar thuis kwam opzoeken, had zij hem hardhandig de deur gewezen. “Ik ga niet met een mandje eieren de deuren langs!” zei ze verontwaardigd tegen Ma. Ze bleef haar gestorven soldaat die haar een mooie zoon had geschonken haar levenlang trouw en praatte altijd vol liefde over hem.

Zij was dol op haar kleindochter Julietje.

 

Tante Juul overleed onverwachts aan een hartstilstand. Zij wilde niet in een rolstoel terechtkomen, zei Ma treurig. Wij huilden om die lieve vriendin, die er nooit meer zou zijn. Haar vrolijkheid was zo aanstekelijk.

 

cat 8/011

 

 
Lees meer...
 

Een gewetenskwestie.

 

Masiakriki was even het middelpunt.

Heeft hier het hoofd van de RK basisschool de leerlingen misbruikt.... Is Sjerome S. de zoveelste Robert M., in Suriname?

Wat is er waar van de verhalen die beweren dat hij Nederland is ontvlucht vanwege kindermisbruik en nu in het binnenland van Suriname zijn lusten botviert op kleine meisjes?
Is hij Nederlander of Belg?

 

De vragen wellen telkens weer op en de antwoorden sijpelen moeizaam naar boven, worden met kracht of met vage tegenwerpingen weersproken.

Het komt op mij over als een gigantische doofpotaffaire.

Getuigen durven hun verhaal niet openlijk te vertellen.

 

Ik praat met de bewoners van het dorp, die ik al elf jaar van zeer nabij ken. Zij hebben fragmenten van verhalen die allemaal in de richting van een schuldige wijzen. Er is wat gebeurd, ernstig of onschuldiger, maar er is iets voorgevallen.

Daarvan ben ik overtuigd geraakt.

 

De onderwijzer, collega, buurman en na het vertrek van de vermeende kindermisbruiker, waarnemend hoofd van de school, zegt:

“ Hij was een lieve man, hij speelde veel met de kinderen. Die kwamen in het weekend bij hem thuis. Hij was wel een beetje eigenaardig. Maar hij heeft niets gedaan. Ging ’s-avonds naar de kroeg en kwam dan weer naar huis. Iemand heeft hem vals beschuldigd. “

 

Zijn vrouw zwijgt. Zij kijkt star voor zich uit met grote lege ogen. Hij gaat door. Hij praat snel en nadrukkelijk. Overtuigend.

“ Er kwam een man langs het dorp. Een journalist. We kenden hem niet. Hij heeft al die dingen verzonnen.”

 

Ik stel vragen.

Waarom zeiden die kinderen dat.

Waarom is het schoolhoofd vertrokken.

Wie is er nu schoolhoofd.

Waar is S. nu. Is de politie hier geweest.

Zijn er ook artsen geweest.

Ik vraag alles wat maar een aanwijzing kan opleveren. hij geeft vlot en snel zijn antwoorden. Blijft geduldig en vriendelijk lachen.

 

“ Ach, je weet hoe kinderen zijn. S. was naar de stad gegaan.

Hij werd meteen gegrepen door 9 politieagenten en vastgezet. Niet lang. Hij was gauw weer vrij. Hij heeft zich zelf aangegeven. Gezegd dat hij onschuldig was, dat zij alles mochten onderzoeken Toen bleek dat alles was verzonnen“.

 

De vrouw zit nog steeds roerloos. Zij zegt niets. Kijkt star voor zich uit met grote ogen. Het is alsof zij in trance is.

 

Wij zijn verbaasd. Wij kennen haar al jaren, als een uitbundige, extraverte persoonlijkheid met een harde, welluidende stem. De onbetwiste topactrice in de stukken, die ik in het binnenland produceer met regisseur Tolin Alexander. Haar rollen zijn gewaagd en realistisch. Deze gedweeë, bijna onderdanige N. is nieuw voor ons. Wat is hier aan de hand?

 

De erven rond de twee onderwijzerswoningen lopen in elkaar over met slechts hier en daar een struikje of een strook gras van het breedbladige type, dat wij beschuitgras noemen. De vijf kinderen van het wnd. schoolhoofd spelen achter het huis, onzichtbaar voor ons. Ik vraag naar het ene zoontje dat ik ken. Ze roept hem. Hij komt groeten. Hij heeft een ondeugend koppie en glipt snel weer weg. De meisjes laten zich niet zien. We horen ze wel lachen en praten. De jongste, een baby van rond een jaar zit bij zijn moeder op schoot.

 

We komen hier niets te weten. Maar dorpsgenoten hebben andere verhalen. S. zou wel degelijk kleine meisjes hebben lastig gevallen.

Echter, toen de dorpsbewoners moesten getuigen zwegen zij.. Durfden zij niets te zeggen of schaamden zij zich? De dorpsbewoner zucht. H  ij schudt vertwijfeld zijn hoofd.

 

Een ander noemt de kleinkinderen van een vrouw, die inmiddels uit het dorp is vertrokken, als slachtoffers.

Waarom is zij weg gegaan? Zij had een goede positie in het dorp. Was actief in het dorpsleven.

 

Hij zegt ook dat de kleine meisjes vrijpostig zijn. Zij gingen zondags zelf naar het huis van het schoolhoofd en vielen hem lastig.

Maar waarom stuurde S. ze niet weg?
Als schoolhoofd heeft hij toch die autoriteit?

 

Een feit is dat de kinderen in het binnenland tot een bepaalde leeftijd, 8, 9 jaar halfnaakt rondlopen. De meisjes krijgen later een pangi, een omslagdoek om. De jongetjes gaan dan broekjes dragen. Het is even natuurlijk als de blote borsten van de vrouwen.

Voor westerse mannen moet het prikkelend zijn;
een pedo paradijs hoorde ik het noemen.
Nu in Thailand pedofielen geweerd worden, wijken ze gemakkelijk uit naar landen als Suriname. En dan is het binnenland al gauw luilekkerland.

 

Meester S. is nu werkzaam op Bofokule, een ander dorpje een uur varen van Masiakriki waar hij “zeer geliefd“ is, volgens zeggen. De overplaatsing is zijn eigen keuze. Hij wilde alles achter zich laten.

 

Wat moet ik geloven, wie heeft er gelijk?

Wat doet de regering hier tegen? Wat doen de erkende kinderpsychologen en wetenschappers, die kinderbescherming hoog in het vaandel hebben? Is dit uitputtend onderzocht door de presidentiele werkgroep die het kind optimaal zal beschermen?

Wat doen de uit het binnenland afkomstige ministers en Assembleeleden hier tegen?

Is dit een gewetenskwestie die in de doofpot is beland?

 


 II. Een andere affaire in dezelfde periode:
 

Tamanredjo, Suriname

Nederlander in Paramaribo vast om kindermisbruik

Gepubliceerd op : 23 maart 2011 - 3:51 am | door Pieter Van Maele



   

 

"Een Nederlander is eind vorige week in Suriname gearresteerd op verdenking van 'mishandeling van en ontucht met minderjarigen'. Uit een politieverhoor zou blijken dat de verdachte onder meer een meisje van amper vier jaar oud heeft verkracht. De Nederlander, de ex-marinier H.de G. uit Nieuw-Vennep, die sinds 2008 in Suriname woont, gaf leiding aan het kindertehuis 'Lobi-Blesi' in Tamanredjo (Commewijne), een dorp vijftien kilometer buiten Paramaribo. In het tehuis verblijven gemiddeld twintig kinderen, allemaal minderjarigen uit sociaal zwakke milieus.

 

De aanhouding wordt tegenover de Wereldomroep bevestigd door politiewoordvoerder Humphrey Naarden, die dinsdagmiddag nog niet verder in detail kon treden over de zaak. “Wel waren de aanwijzingen alvast sterk genoeg om de man te arresteren”, vertelt Naarden. De bal kwam aan het rollen nadat een voormalige vrijwilliger van het tehuis onraad rook. “In eerste instantie was het mijn vrouw die merkte dat iets niet klopte. Zo zag ze hoe de kleintjes alle contact met de verdachte en zijn vrouw vermeden. Soms verbaasde het me ook wel hoe de man de kinderen in zijn tehuis omschreef als 'slijmballen'.”

 

Strot dichtgeknepen

Op een bepaalde dag zei een meisje aan de vrijwilliger dat ze weg wou uit het tehuis. “Zij klampte me aan en vertelde dat ze haar mishandelden. Hij had haar achtervolgd met een stok en haar strot dichtgeknepen. Ze vertelde mij dat ze 'huizen ver' schreeuwde telkens als dat gebeurde.” De vrijwilliger stapte daarop naar H. de G. en diens vrouw. “Dat gesprek betekende het einde van onze vriendschap. Hij heeft me verbaal aangevallen, waarna ik nooit meer welkom was in het tehuis. Daarop ben ik gestapt naar het schoolhoofd van de kinderen. Die vertelde me dat hij ook al verhalen had gehoord 'die zijn oren deden tuiten', en zelfs al de Nederlandse ex-marinier had ontboden op zijn kantoor.”

 

Genoeg aanwijzingen

De voormalige vrijwilliger trok daarop naar de politiepost van Tamanredjo. “Daar hadden ze een redelijk slappe verklaring klaar. Ze hebben de man wel gesproken, maar niet gearresteerd.” Politiewoordvoerder Naarden verdedigt die werkwijze. “Kindermisbruik is een heel verregaande verdenking, daar kan je niet lichtzinnig mee omgaan. Je kan iemand niet zomaar een etiket opkleven zonder eerst een grondig onderzoek te doen. Wij hebben om de verdachte heen gewerkt en zo genoeg aanwijzingen en feiten verzameld die een aanhouding uiteindelijk wel mogelijk maakten”, aldus de inspecteur.

 

'Schop onder je kont'

Kindertehuis Lobi Blesi

Foto: Harmen Boerboom

Maandag kreeg de ex-vrijwilliger telefonisch bericht dat de man inderdaad was gearresteerd. “Volgens mijn informatie is zijn aanhouding net nog met dertig dagen verlengd. Ook zou een gespecialiseerde politie-inspecteur de slachtoffers gesproken hebben. Uit die gesprekken zou blijken dat op zijn minst een vierjarig meisje door de man is verkracht. Andere kinderen verklaarden dat de verdachte hen in commandostijl toesprak. Zo kregen ze afkortingen als 'SOJK' toegeschreeuwd, wat zoveel betekende als 'Schop onder je kont.' De kinderen moesten dan blijven stilstaan en wachten tot ze getrapt werden.”

 

Aardige man

Op die punten wilde politiewoordvoerder Humphrey Naarden nog niet ingaan. “Het Korps Politie Suriname is nu verder bezig met het onderzoek. Onafhankelijk daarvan zal het gerecht beslissen of en wanneer de man verder vervolgd wordt.” Dinsdagavond was er niemand in het kindertehuis aanwezig. Buurtbewoners reageren intussen geschokt op het nieuws. “Ik kan niet geloven dat dit hier gebeurd zou zijn. Het was zo’n aardige man, hij was vreselijk lief voor de kinderen. Zijn echtgenote denkt trouwens dat die liegen. Ze is er kapot van, ” aldus één van de buren. Mevrouw de G. was niet voor commentaar bereikbaar.  "

 

 

Correspondent Harmen Boerboom over de arrestatie
van H. de G.
 
Lees meer...

Anna, de non die in een nachtclub danste.

 

Van de films waarover mijn vader ons vertelde, is mij ook ANNA bijgebleven.

De non, gespeeld door de beeldschone Silvana Mangano, die operatiezuster was in het ziekenhuis en de rechterhand was van de professor. Zij was lief en zorgzaam en verpleegde de geopereerde mannen als een engel. Net als zuster Diederieka die bij mijn vader werkte.

 

Maar zij leidde een dubbel leven. ‘s Avonds kleedde zij zich sexy aan en zong in een nachtclub waar zij een erotisch dansje deed met twee negerjongens. Zij werd door iedereen toe gejuicht.

“Is zuster Diederika ook een danseres?” vroeg ik naïef aan mijn vader, die niet meer bijkwam van het lachen. Zijn trouwe operatiezuster!

 

Tot Anna op een dag bij de operatie van een zwaargewonde patiënt moest assisteren. Tot haar schrik herkende zij de man, waarmee zij bijna was getrouwd. Op haar trouwdag was zij weggelopen, omdat zij niet kuis was. Zij trad toen in het klooster om boete te doen.

 

Hij werd beter en verzocht Anna met hem weg te lopen. Een vreselijke tweestrijd teisterde haar en op de avond dat zij het ziekenhuis ontvlucht komen er twee ambulances vol gewonden van een verkeersongeluk aan met loeiende sirenes. Bij de poort keert de plichtsgetrouwe Anna terug naar haar patiënten.

Wij luisterden in tranen naar dit verhaal van trouw en goedheid.

 
Lees meer...
 

The Third Man

 

Het Leit-motiv van Harry Lime wekt altijd weer heftige emoties bij mij op.

Ik zie mijzelf in een flanellen nachtjaponnetje met koude voetjes op het bed zitten.
Het is vlak na de tweede Wereldoorlog en Pappy vertelt van die film, die hij pas heeft gezien. Zo indrukwekkend. Zo spannend.Wij vier kindertjes luisteren ademloos toe.

 

Hij weet ons altijd deelgenoot te maken, van de films die hij ziet, de boeken die hij leest, de concerten die hij bezoekt.Na zijn werk brengt hij ons naar bed en vertelt.

Zijn knappe jongensachtige hoofd vol enthousiasme aan het voeteneind van onze bedjes. Soms zingt hij voor ons.

Nu zet hij de 78 toeren plaat op van Anton Karas die op de citer het onweerstaanbare Harry Lime motief speelt dat door je aderen resoneert. We zien de schaduw van Harry Lime op de kamer muur en rillen verrukt. We waren toen nog te klein om naar de bioscoop te gaan.

 

Jaren later kijk ik nog steeds gefascineerd naar de zwart-wit film die zo magistraal de sfeer van het na-oorlogse Wenen weergeeft. De onvergetelijke rollen van Joseph Cotten, Orson Welles en Alida Valli, en mijn vader die met zijn mysterieuze stem het verhaal voor ons te voorschijn tovert van The Third Man.

 

cat 24/5/2011

Lees meer...
 

Afscheid van Clark

 

Daar ligt hij. De Prins van Paramaribo. Ontluisterd. Vermagerd en broos in de met wit satijn beklede kist. Een lila sjaal om zijn schouders. Zijn mond stijf gesloten, ontdaan van zijn charmante glimlach. Ik mis de warme blik in zijn ogen.

 

Wij drommen tussen honderden vrienden, familieleden, kennissen door de smalle deur naar het overvolle trappenhuis. “Er is een lift voor u” zegt de vrouw, die de menigte begeleidt naar de bovenzaal. “Alleen voor wie echt slecht ter been is!” waarschuwt ze streng en houdt de anderen tegen. Mijn rolstoel glijdt de ruime lift binnen.

 

Een vrouw begint hoog, hysterisch te gillen gevolgd door een wanhopige huilbui.

Een stel mannen sleept haar naar buiten. “Die heeft heel lang niet zo gehuild” zegt een oudere dame begripvol. “Nee! Nee!” horen we wegsterven. Ik voel mij aangedaan door dit rauwe verdriet.  Als ik Clark zie liggen, begrijp ik het en springen de tranen in mijn ogen. Ik leg mijn witte roos bij de andere bloemen.

“Tan bun brada!”. Er zijn veel bekenden. Mijn nicht Manouschka, Jetty Mathurin, Ronald Snijders, Usha Marhe die mij met betraand gezicht om de hals valt. Nog geen half jaar geleden waren wij met een groep schrijvers op het congres “Wan tru Powema” in Berg en Dal. Clark zat vrolijk in een van de boten, toen wij de marrondorpjes bezochten.

En toen ik de Koningin van Paramaribo mocht spelen met De Inrichting uit Wijk bij Duurstede, kwam hij de voorstelling in Utrecht bekijken. “Je deed het heel goed’” complimenteerde hij mij en we gingen samen op de foto.

 

Het wordt drukker.

Wij condoleren de familie. Oude vrienden begroeten mij. Ronald Snijders begint een kerkliedje te spelen. De zuivere tonen brengen rust in de zaal.

 

Wij zoeken een weg terug door de menigte. 

Hij was. Het is voorbij.

 

cat 18/5 2011

 
Lees meer...
 

Wie was Gerard van de Groenekan?

 

Iedere Nederlander weet wie Gerrit Rietveld was,kent zijn huizen en zijn meubilair. Sterker nog, tot ver buiten de landsgrenzen heeft men van hem gehoord en kun je zijn stoelen in musea overal ter wereld bezichtigen.

 

Enige tijd geleden was in het televisieprogramma  “Close Up” weer eens te zien hoe de befaamde “roodblauwe” wordt gemaakt. Met spijkerloze houtverbindingen, pen-en gat, deuvel, lijm en al die aan meubelmakers voorbehouden technieken.

Technieken die ik in de jaren ’80 leerde van de meester zelf.  Nee, niet van Rietveld, maar van zijn vaste timmerman/meubelmaker, Gerard (Gerrit) van de Groenekan, uit De Bilt.

 

Is dat de reden waarom ik altijd met lichte irritatie naar zulke documentaires kijk, waarop, hoewel redelijk bekende, maar voor mij persoonlijk onbekende, architecten, kleinzoons van, huisvrienden of handelaren hun kennis van het meubilair en de fabricatie ervan etaleren, zonder Gerard van de Groenekan te noemen.

Marijke Kuiper van het Centraal Museum in Utrecht wijdt weliswaar een paar zinnen aan Gerard, die als 16-jarig jochie bij Rietveld in de werkplaats kwam werken en die deze werkplaats later overnam, maar geen van de andere geïnterviewden lijkt hem te kennen. Op de beroemde foto van Rietveld in zijn eigen stoel gezeten waarmee de film eindigt, is de jonge Gerard, die links achter hem staat, wreed onthoofd.

Toch heeft hij tot zijn dood in  1994 - hij was toen 89 -  de prachtige Rietveldmeubelen met de hand vervaardigd voor musea en een enkele particulier.

 

Hij maakte voor ons een Steltman stoel , een zigzagstoel, een lamp en een tafeltje. En voor onze dochter een zigzagkinderstoel, een van de vier die hij ooit heeft gemaakt. Zelf hadden wij toen al een paar kratstoelen en tafeltjes gemaakt. Wim vanuit zijn deskundigheid en ik, omdat ik een jaar lang stage meubelmaken liep op de werkplaats van Gerard in De Bilt. Ik zat toen op de LT.S. om “mijn hoofd leeg te maken door met mijn handen te leren werken”. Een perfecte therapie waar ik veel plezier aan beleefde.

 

Die werkplaats was de meest rommelige plek die ik ooit heb gezien, maar Gerard maakte er de meest perfecte stoelen, buffetten, tafeltjes en lampen. Met precisie, vakmanschap en liefde voor het materiaal. Hij sleep er zijn beitels, zijn zagen, stelde zijn schaven. Ik stond ademloos te kijken hoe hij hout uitzocht, dat hij streelde met zijn oude verweerde handen, mij uitleggend waarom hij van beuken hield, zorgvuldig nam hij de maten, veegde naar vers brood ruikende houtkrullen van de oude gehavende werkbank, terwijl hij gezellig babbelde en mij ondertussen streng bejegende.

 

De eerste weken mocht ik alleen planken schaven. Hij deed het voor.”Kijk zo!”

Met een opgaande beweging, vloeiend, ritmisch. Hij corrigeerde mij op het oog.“Neen, meisje, hier moet nog een millimeter af en die kant loopt schuin”. Dat illustreerde hij met een minuscuul winkelhaakje. “Doorgaan.” zei hij streng.

Hij zag aan mijn gezicht dat ik het zat was. Ik wilde een krat tafeltje maken......

“ Eerst goed leren schaven!” zei hij onverbiddelijk en nam me vervolgens mee naar El, zijn vrouw, achter in het huis, om een boterham te eten.

 

Ik mocht ook in de woonkamer kijken, die er verrassend opgeruimd en gezellig uitzag met Rietveld meubelen en ander smaakvol meubilair, een schilderij van hemzelf, de ramen en openslaande deuren keken uit op het landgoed Sandwijck, waar dit vervallen huis een deel van was, en op de Utrechtseweg.

Mijn dochter heeft als peuter nog op zijn knie gezeten, want we wilden haar kennis laten maken met “Gerrit”, zoals wij hem noemden. We maakten foto’s. Hij vond het prachtig. Ik interviewde hem voor de lokale omroep en hij vertelde over Rietveld, de baron van Sandwijck, van zijn werk als leerjongen in de meubelmakerij, van het Rietveldhuis, van Cassina, waar aan de rechten voor de fabricage van de meubelen werden verkocht. Hij mocht echter voor musea blijven werken.

 

Hij overleed in 1994, toen wij met de kinderen een reis door Zuid-Amerika maakten. Toen wij na weken terugkeerden, was alles voorbij. Ik had niet eens naar zijn begrafenis kunnen gaan. Ik kon alleen El een briefje sturen.

 

Het huis is nu gerestaureerd en ziet er als nieuw uit. met donkergroene jaloezieën.

Maar ik zie hem nog sloffen door de vervallen marmeren gang naar zijn overvolle werkplaats aan de straatkant, in zijn stoffige stofjas met houtkrullen en zaagsel in zijn witte haar. En ik hoor zijn stem die vrolijk babbelt of mij streng toespreekt.

Gerrit, Gerard van de Groenekan. Voor mij is hij de meester. Zonder hem had de wereld geen Rietveldmeubelen gehad. Wie kent hem niet.....

 

cat, 20/3 011

 
Lees meer...
winterwit
 

Buiten is het wit. De sneeuw ligt dik op de takken van de kale bomen en bedekt mijn terrastegels, de hopen dorre bladeren die wij niet hebben opgeruimd en de daken van de achterburen. Het is een mooi gezicht, maar ik ril bij het idee dat ik naar buiten zou moeten.

Ondertussen arriveren de kerstkaarten en mailtjes uit warm Suriname.

Zat ik daar nu maar. Wij kwamen in november terug voor de kinderen. Zij zijn groot genoeg om zonder ons te kunnen, maar steeds als wij zeiden, dat we hier bleven, zeurden zij weer dat het zo ongezellig was met de feestdagen....

Dus vertrokken wij maar weer uit het paradijs naar de kou. Winter in Holland. Wie vindt daar nou wat aan.

 

Wim heeft op mijn verzoek een netje ongebrande pindas opgehangen, omdat de merels zo zielig door de tuin hippen op zoek naar een verlaten worm, die vast nog stijfbevroren is ook. Nu bengelt  er steeds een meesje aan, smullend van de nootjes. Eksters en Vlaamse gaaien vliegen hier ook al rond. Ik bestudeer ze nieuwsgierig, maar mis mijn grikibi, die mij iedere morgen wakker zong.

En de sabaku met hun dagelijkse vlucht. Een groep van 7, 9, of 11, nooit een even getal, achter mekaar met een leider voorop en altijd een stuntelige laatkomer er achteraan. ‘S-ochtends gingen ze heen en’ s-avonds vlogen ze terug weer in formatie

en dan naar een hoge boom ergens verderop waar zij sliepen.

Er zijn talloze vogeltjes in de tuinen van Paramaribo. Zij zingen om het hardst.

Kleurige roodborstjes, grijsblauwe bakkies, de bonkidif en nog veel meer. Ze zitten op de takken van de reusachtige oude nepbom en houden hun zangwedstrijden tegenover mijn deur, die ik wijd openzet.

 

De mooiste vogels zag ik in Bigi Pan, waar ik na veel gepleit eindelijk heen mocht, omdat het niet eenvoudig was over de gladde aarden wal te komen met een rolstoel in een korjaal. Drie mannen waren er voor nodig, die tot hun middel in de modder stonden. Maar zij deden het kranig, zodat ik ze wel moest zoenen na afloop.

 

Maar hier in mijn winterse tuin, komt de zwarte merel al jaren op bezoek en soms zie ik zijn bruine vrouwtje ook. Elk voorjaar hebben ze een nest ergens in de slingerplanten of de klimop langs mijn balkon en jaag ik de dikke zwarte kater weg die ze reeds heeft ontdekt. Ze zingen om het hardst met de meesjes en lijsters en andere gevederde vriendjes. Ik heb vier vogelhuisjes laten ophangen in de hoop dat zij daar een comfortabel onderkomen vinden. Nu afwachten tot het voorjaar komt.

Winter in Holland duurt zo lang.....

 

cat 24 december 2010

 

 

 
Lees meer...
Kamrawenke, kamermeisjes en andere huisgenoten
 
Het Sranan Tongo kent diverse grappige benamingen van alles wat er zich in en rond het huis beweegt. Als kind hadden wij daar veel plezier mee.

Ze rennen de hele dag langs de muren met hun bolle zwarte oogjes, hun vlugge pootjes met vijf zuignapjes en hun beweeglijke staartjes, die gladde lichtbruine huishagedisjes. Gekko's heten zij in Indonesie, maar wij noemen ze beeldend kamrawenkes (kamrawintjes) of kamermeisjes, alsof zij ijverig de bedden opmaken, het huis van stof ontdoen. Toegegeven, geen vlieg of mier blijft liggen en bovendien zijn ze dol op cassaveboyo, zoals ik merkte toen ik mijn stukje boyo voelde verschuiven op mijn schoteltje en later het kamermeisje gretig de kruimels zag verorberen. En de laatste restjes cola slurpen ze gulzig op, als een dranklustig kamermeisje, dat de restjes whisky uit de glazen likt.

Het zijn er twee die speels achter elkaar rennen, klepperen aan de glazen shutters, zich achter schilderijtjes verstoppen. En zij vermenigvuldigen zich kennelijk ook,want we zagen een paar piepkleine langs de muur naar beneden glippen.

Maar ze zijn gezellig en horen bij het huis. Onze ijverige kamermeisjes.

Papitodo zijn die grauwbruine kikkertjes die in de trensen wonen en waar je als kind mee speelt. Waarom ze papakikkers heten?

de mamitodos zijn er ook maar worden niet zo genoemd.Ze springen watervlug weg uit je handen.

Wel ken ik de zombi m'ma, grote zwarte bromvliegen of hommels, die de kinderen in het binnenland vangen in de gaten die deze hommels boren in houten balken. Zij doen er een lang touw aan en rennen over het erf, terwijl de zombi m'ma snorrend boven hun hoofden meevliegt.

Pierneki zijn die kippen met een kale veerloze nek. Ze zien er een beetje uit als gieren. Maar ze zijn onschuldig en lopen argeloos over het erf hun kostje bij elkaar te scharrelen.hoe zij aan die kale nek komen? Is het een bepaald ras? Of pikken zij elkaar kaal? Ik heb het nooit geweten.

Mat'gadofowru is het kleine ijverig zingende vogeltje in de tuin. Ons vriendje, het godsvogeltje, klein en bruin als een huismus, hoort bij het huis.

Al deze benamingen geven de creativiteit van de Surinamer aan, in het benoemen van de meest simpele diertjes in de woonomgeving.

Van kamermeisje tot godsvogeltje zijn ze dagelijks om ons heen.

kalakaboru, zijn die sobere, schaars met krenten bedeelde bollen, die je op de zondagschool bij feestelijke gelegenheden kreeg uitgedeeld. Als er een bazaar of fancy fair was heetten ze stuivertjebol, omdat in sommige een in een vetvrij papiertje gewikkeld vierkant stuivertje was meegebakken. De vinder mocht dan een nieuwe bol gaan kopen voor vijf cent.

Awaridomri noemen wij iemand die zich schijnheilig gedraagt. Hij is vergelijkbaar met de vos die de passie preekt om later de domme kippen op te peuzelen. Ik vond het altijd een leuke naam en stelde mij de awari voor die in de Grote Stadskerk stond te preken..

 

cat 23/10 2010

 

 

 

Lees meer...

Het Grote Witte Huis

Zo vaak ik kan, rijd ik langs het Grote Witte Huis in de Prins Hendrikstraat. Hier ben ik opgegroeid, zette ik mijn eerste stapjes, speelde ik in het schelpenzand van de grote tuin, plukte ik bloemetjes, gaf de kippen hun maaltje koren en luisterde ik over de schutting naar het fluitspel van baas Snijders die achter ons woonde.

"Niet op blote voeten!" waarschuwde mijn vader, die in het ziekenhuis aan de overkant werkte, maar wij waren al weg om te vliegeren met de jongens uit de Julianastraat,

"Kot'ing!"riepen we als de vlieger met haar staart vol scheermesjes het touw van de ander naderde:en
"A e kanka..." wanneer de losgesneden vlieger dronkemansbuitelingen maakte. En dan sprintten we naar de andere straat, want dit was onze buit.  September, wat een heerlijke maand.

Mijn broertje slofte door het zand en moest de sika's uit zijn tenen laten peuteren. "Ik heb je gewaarschuwd", zei Pa terwijl Ma met de verhitte naald de voeten bewerkte.

Soms speelde ik liever met mijn poppen op het grote achterbalkon. De dames Bailey naast ons waren modiste en ik mocht zakken vol prachtige lapjes ophalen, waar ik poppenkleren van knutselde. Uren was ik daar zoet mee. Om daarna weer wild met de broertjes te stoeien.

"Ga jij in de goal staan!" riepen zij, als ik ook wilde voetballen. Of we trokken lijnen op het erf om dyul te spelen.Watervlug renden we over de vakken heen en weer. De buurjongens kwamen ook meedoen.

Het Witte Huis betekende alles voor ons. Een veilige haven, een geheimzinnig paleis vol spannende hoekjes, Een gezellige speelplek met het balcon vol banken, met kleppen, waar je je onder kon verschuilen. Pa ging er dan languit op liggen en deed alsof hij ons geklop niet hoorde.

Als het regende kletterde het behaaglijk op de zinken daken naast onze kamertjes, de zolder had leien als dakbedekking, maar die gaven een ander geluid, en dan kon je heerlijk slapen.

Ma stond in de grote keuken te bakken en te braden en wij probeerden alles te proeven. Zij stuurde ons naar het erf om groenten te plukken. "Ook sebiyari en een paar pepers!" Zaterdags zocht zij een kip uit om te slachten. Ik wees die aan. "Die niet...." Zij lachte mij toe. "Oke, die nog niet". Zij wist dat de kippen mijn speelkameraadjes waren en namen hadden.

Toen wij vijftien jaar later met z'n vieren naar Nederland vertrokken om te studeren, deed mijn vader het Witte Huis van de hand. Het was te groot voor hem en Ma en mijn kleine zusje. Tranen met tuiten huilden wij, toen wij het hoorden. "Waar moeten wij nu wonen..."  Weemoedig dachten wij aan de grote zolder, waar wij de was op hingen en ons verstopten.
Aan de "koep" onder de trap, waar de kratten soft stonden, die je met een spijker open kon maken, als je dorst had.
Aan de kamertjes onder het huis, waar troep II, de Oranjedassers, hun padvinderijbijeenkomsten hield en waar Pa Oubaas van was. We kenden al die heren, die op zaterdagmiddag op de fiets aan kwamen rijd.

Mijn ouders verhuisden naar een nieuw stenen huis, twee percelen eerder in de straat,maar dat werd nooit ons eigen huis, al kregen wij er allemaal een kamer. Je bleef er op bezoek komen. En 'snachts droomden wij van de poort opzij van het huis, waar je doorheen rende onder de frangipaneboom, om niet de brandrupsen op je hoofd te voelen vallen. Nooit zag ik daar een mooie vlinder uit komen met net zulke prachtige zwart en geel en groene kleurtjes.

Het Witte Huis werd een bank, toen een hotel, een kunstacademie, steeds weer opnieuw beschilderd. Bij elke vacantie maakte ik andere foto's. Maar toen zij de balconnetjes dicht timmerden tot kamertjes, stroomden de tranen van mijn wangen.\
Hier stonden wij als kind naar Pappy te zwaaien als hij de ronde liep door het ziekenhuis, twee nonnetjes achter hem aan.
Na een Ministerie werd er nog een verbouwing begonnen, maar de laatste jaren staat het huis half verbouwd te verkrotten.
TE KOOP staat er op een bord.\
Eens de trots van meneer Durgaram, die het aan mijn vader verkocht, werd Het Witte Huis het vrolijke doktershuis in de straat.
Maar die tijd is voorgoed voorbij.

cat 7/10 010

 

 

 

 

Lees meer...
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl