powemacatlog.punt.nl

Skrati uit ouma’s tijd.

 

Mijn ouma had in de Keizerstraat een diep erf met o.a. cacaobomen.

Van de vruchten maakte ze heerlijke skrati. Ik herinner mij dat we de pitten mochten afzuigen, die zij vervolgens droogde en dopte. Vervolgens maalde zij de cacaomassa in een vleesmolen en maakte er reepjes van, die zij met een vork platdrukte en van streepjes voorzag. Deze reepjes werden op het zinken dak in de zon te drogen gelegd. Wij kregen de skrati in stukjes gebroken, opgelost in warme melk te drinken. Er bestond niets heerlijkers dan de geurige skrati met grote vetogen, die er op dreven, in een emaille kroesje, voor het slapen gaan, met een stukje broodbeschuit met boter.

 

Kunstenares Ellen Ligteringen heeft dit ritueel weer ontdekt. Samen met haar vriend Rutger oogst zij cacao van oude tuinen in en rond Paramaribo om haar skrati en andere producten te maken. Zij nodigde ons uit voor een skrati-brunch.

De heerlijke geurige skrati uit ouma’s tijd met chocolade cupcakejes, truffels gevuld met slagroom in rum gedoopt, Soms heeft ze ook heerlijke bonbons.

 

Het viel ons op hoezeer zij zich in de materie heeft verdiept. Wij leerden van haar over de verschillende variëteiten cacao, waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen, wat voor kleuren de cacao kan hebben, hoe het eindproduct er uit kan zien: de bekende gestreepte reepjes, brokjes uit de Cariben, de stervormige “taartjes” uit Peru, de geuren, hoe je de cacaoboter van de poeder scheidt en nog veel meer. Over de krullotenziekte, waarover ik nog op school leerde.

 

Overal op het erf zagen wij stapels vruchten of lege doppen, ontdaan van de pitten die zij invriest. Zij heeft zelfs een paar boompjes geplant. Nu is zij bezig haar huis aan te passen voor de productie van de skrati.

 

Een excursie naar Ellens bedrijfje is warm aan te bevelen. Niet in het minst voor de heerlijke skratibrunch en het nostalgische gevoel dat zij weet op te roepen.

 

Cat 16/4 2012

 

 
Lees meer...

Gudu gudu Thijm

 

Een van de kleurrijke figuren, die in mijn jeugd door Paramaribo liep, was Gudu Gudu Thijm, een witte man met lichte ogen en een bos grijsblond haar boven een ruige baard. Hij was dichter en straatzanger en verkocht loten.. Volgens zijn eigen bewering was hij familie van de dichter Alberding Thijm en was zijn vader als soldaat naar Suriname gestuurd als zwart schaap van de familie, zoals vroeger gebruikelijk was.  Ook beweerde hij een onechte zoon te zijn van koning Willem III.

 

Hij verkocht zijn poezie voor 5 cent op losse blaadjes en bezong dan allerlei wantoestanden en gebeurtenissen, politici en anderen of maakte en passant reclame voor bedrijven, die hem daarvoor betaalden.

Zo herinner ik me:

 

“De regentonnen van Brandon

zijn van de beste kwaliton

stel ton is teit”

 

Tekenares Corry van der Baan maakte eens een portret van hem en hij dichtte spontaan:

 

“ Juffrouw van der Baan

die heeft mij welgedaan

zij heeft mij laten staan

en heeft toen dit gedaan”

 

En ten tijde van de gondelvaart op de Surinamerivier dichtte hij als kritiek

 

De gondelvaart

Leek op een varkensstaart

 

Ook de Goslar bezong hij:

Goslar sungu

Watra lon na mi ai

 

Zijn kritiek bracht hem in aanraking met de politie, maar maakte hem ook populair.

Cat 5/4 2012

 

 

 
Lees meer...
 

BINGO!

 

Dit wou ik wel eens meemaken. Een grote Bingo in Paramaribo.

Een vriendin verkocht kaarten voor een benefiet in Groen Dyari

tbv het interieur van de Petrus en Paulus Kathedraal.

 

De hele straat rondom stond vol auto’s en men keek verontwaardigd,toen ik aan
kwam rijden in een ordinaire taxi, tot zij mijn rolstoel zagen.

Het partijgebouw plus aanleunende tent gonsde van de meer dan duizend vrouwen en een handjevol mannen, die verwachtingsvol aan lange tafels zaten samengeperst.

De organisatie had echter een plekje vooraan voor mij gereserveerd, zoals op twee kartonnetjes stond te lezen, dus liet ik mij daarheen voeren.

 

Hier had ik meteen het volle gezicht op pater Esteban Kross van het RK Bisdom

en spelleider Henk van Vliet, die wekelijks op T.V. is met zijn praatprogramma.

De plankjes konden gekocht worden. Ik vond twee genoeg, maar er waren dames

met acht tot tien. exemplaren. Duidelijk professionals die gingen voor de grote prijzen, die op het podium te kijk stonden. Een volautomatische wasmachine, een vierpits- gasfornuis, een dubbele koelkast, een reis naar Amsterdam en een snelle brommer, die een kennis Pater Kross had zien aanschaffen. Er was nog veel meer te winnen, het podium stond vol en er was ook nog een loterij. Dat beloofde wat.

 

Pater Kross ging voor in het gebed, het was immers een bingo voor de Kathedraal en het spel kon beginnen.

Direct bij aanvang bleek al dat de geluidskwaliteit van de microfoons niet optimaal was, zodat je de spelleider slecht kon verstaan. Er werd gemord: “Vervang die man! Hij is niks waard!” Maar die klachten werden overschreeuwd door het enthousiasme van de spelers. die ijverig de nummers herhaalden.

De prijzen vlogen weg. Binnen vijf minuten werd er al “Bingo!” geroepen.

Een van de weinige mannen kwam maar liefst drie maal naar het podium, streng begluurd door wat achterdochtige, minder fortuinlijke spelers.

 

Al snel zoemde het in mijn hoofd van de stemmen, het gekraak van de microfoon, gepraat en gelach, geroep en de cijfers buitelden over elkaar heen. Ik liet mij zwakjes meevoeren door de bingostroom en dacht: ”Dat was eens en nooit weer....”

Maar mijn tafelgenoten zaten met glinsterende ogen en ijverige vingers hun plankjes te bespelen. Zij genoten zichtbaar. We moesten nu eens een H, dan weer een P of een O vormen, als variant op een vol plankje, ter ere van de heilige Petrus en Paulus Kathedraal, Onze Heer, zodat God ook aanwezig bleef op deze gezegende bingo.

 

Gebroken verliet ik na vier drukke uren Groen Dyari. De plotseling op razende sibibusi was toen al weer voorbij getrokken. “Bingo!” riep ik enthousiast.

 

 

 
Lees meer...
 

Mijn kankantri....

 

Dit was de grootste kankantri die ik ooit heb gezien.

Een reus onder de reuzenbomen met een rechte metershoge stam en een brede regelmatig wijdverspreide kruin. De wortels vormden kamertjes en de uitlopers

liepen meters ver onder de grond om hier en daar als omgevallen boomstammen weer boven te komen en vervolgens weer te verdwijnen. Tot ver in de omtrek kon je deze reuzenboom zien. Als je uit de stad aan kwam rijden over het toenmalig Pad van Wanica, zag je hem al kilometers van te voren.

 

Bergershoop, vlak voor Lelydorp.

Neficawipa had mijn vader het terrein gedoopt, dat hij in de jaren vijftig aanschafte en dat sindsdien door ons gezin, later door mijn oudste broer en zijn gezin wordt bewoond en dat  nu tevens een onderkomen is voor vele Surinaamse kindertjes.

 

Mijn kankantri werd als religieus symbool aanbeden door mensen ver in de omtrek. De tekenen hier van zagen wij dagelijks onder de boom liggen. Bordjes eten, flessen drank, geld. Als kind begrepen wij dit niet ten volle en mijn broers waren enthousiast over de vondst. Tot een oudere neef ons uitlegde wat de betekenis hiervan was. Geheimzinnig vertelde hij van de rituelen die ver naar binnen op de Bergershoopweg

plaatsvonden. Maar Pa verbood ons er heen te gaan met neef Humbert. die alles durfde en overal “boorde”. Wij waren te jong. acht, negen, tien, elf..... “Niks er van. Ik wil het niet hebben!” waarschuwde hij. We keken elkaar teleurgesteld aan.

Pappy’s wil was wet.

 

Ik bleef dromen van mijn grote vriend, de kankantri en speelde tussen de wortels.

We kerfden onze namen in de stam, verdeelden de kamertjes, verstopten daar onze kostbaarheden. Maakten foto’s en genoten de bescherming van onze reus.

 

Iedereen die op bezoek kwam keek vol ontzag omhoog. “Zo’n grote boom.....!”

Wij waren trots op onze boom. Op veel kindertekeningen is hij te zien.

Een boom is meestal vrouwelijk in Suriname.  voor mij was het soms een vrouw, soms een man. De Mamabon, de Bigi Masra .

 

Wij viertjes gingen een paar jaar later naar Nederland op school. Mijn oudste zus zat op de AMS en de andere drie op de Calorschool. De twee oudsten vonden het spannend en verheugden zich op alles wat tieners bezig houdt. Nieuwe vrienden, uitgaan, andere kleren, avonturen.

Ik wilde niet, Ik wist zeker dat ik heimwee zou krijgen, net als mijn jongere broer.

En dat was ook zo. Het meest miste ik mijn kankantri.

 

Jaren later kwam ik terug. Mijn broer werd zestig. Een bigiyari.

 “Waar is mijn kankantri?!  Heb je hem omgekapt! “ vroeg ik hem geschrokken. Toen vertelde zijn zoon mij, dat het op een dag vreselijk onweerde en dat de bliksem in de boom sloeg. Zij zagen die als een fakkel branden en weg was hij.

Kurkdroog hout brandt fel. Ik huilde.....

Maar vuur heeft ook iets louterends, bedacht ik, mijzelf troostend.

En ik schreef een gedicht.

 

 

 

 

Mijn Kankantri.

 

mijn kankantri, je brede kruin getooid met nest

waar gieren zwieren rond je bladerdak

het bijennest als een camee onthult je lange hals

en eindeloos lange gestalte die als een reuzin

haar rok ontplooit in forse vouwen waar wij als kinderen

 nog vol vertrouwen te rusten lagen

 

ooit de tatoeages van vijf kindernamen gekerfd

in je stam groeiden gestadig mee

en toen na jaren weer terug in Suriname

wij blij verrast weer in je schaduw toevlucht zochten

waren wij kind weer tussen je verknochte plooienkleed

onder de hete tropenzon

 

ik weet nog goed die nachten in mijn bed dat ik

het raam uitstaarde naar je silhouet en in gedachten

jou daar roerloos steeds zag wachten

en in de verte hoorde ik weer rituelen en vreemde

zangen uit mystieke kelen en dof geroffel van de oerwouddrum

en in de ochtend lagen aan je voeten soms

porties rijst wat eieren of een fles rum

 

maar hoe sinister ook die tekens waren

nooit heeft de angst ons blind vertrouwen doen bedaren

jij was voor ons de grote geest die ons beschermde

en dat is altijd zo geweest wij keken naar je uit van verre

zagen tegen je op tot aan de sterren en wisten

dat je er altijd voor ons was

 

Mijn kankantri, wat was ik diep bedroefd  toen ik

na jaren weer terug op mijn vertrouwde grond

je trouwe reuzentorso niet meer vond

en werd verteld: een droge hete dag een donderslag

een bliksemschicht in middaglicht heeft onze reus geveld

 

mijn trouwe kankantri

net als mijn jeugd ben jij opeens voorbijgegaan

maar altijd in de nacht

is het of ik je nog op wacht zie staan

 

cat  8/3/2002

 
Lees meer...

 

 KOPRO KANU, een sprookje uit Suriname

(bewerkt door Carry-Ann Tjong-Ayong)

 

Ergens midden in de stad Paramaribo woonde op een heel diep erf,

een alleenstaande vrouw met haar vier kinderen.

Vrouw Lena heette ze, maar ze werd door de andere bewoners van het erf spottend Alabowtufowrubere  genoemd omdat ze graag een kippetje slachtte en dat dan smakelijk opkluifde met haar vier dochtertjes.

 

Vrouw Lena had de kinderen met verschillende mannen gekregen, iets wat in Suriname helaas vaker gebeurt met ongetrouwde vrouwen.

 

Drie van de meisjes waren mooi bruin met krullend of sluik haar,

  maar de vierde was licht, bijna geel van kleur met sproeten, als een pen’pen’bak’ba, een overrijpe banaan, die bruin gespikkeld is.
En ze had vuurrood kroes haar. Om die reden noemde de moeder haar Kopro Kanu en ze behandelde haar als een Assepoester.

Zij moest apart in de keuken, de botrali, opzij van het huis zitten wachten op een laag houten bankje, met haar emaille bord op schoot, terwijl haar drie zusters in de voorkamer aan tafel uit porseleinen borden zaten te eten met hun moeder.

 

Vrouw Lena riep iedere dag, als zij had gekookt, haar kinderen om te komen eten, en met haar hoge stem zong zij hen toe en dat ging zo:

 

“ Mini Mini kon nyan

   Freyman Bonyo, kon nyan

   Freyman Tanya , kon nyan

   Kopro Kanu , tan de

 

   Mini Mini, kom eten

   Freyman Bonyo, kom eten

   Freyman Tanya , kom eten

   Kopro Kanu , blijf weg

 

en dat herhaalde zij iedere dag weer opnieuw.

 

De drie meisjes werden aan tafel geroepen en kregen een lekker bordje eten:

rijst met malse kippenboutjes, met kousenband  of bladgroenten en jus van

tomaten en uien en een lekker rood pepertje, en heerlijk zuurgoed van rode uien en birambi, een zuur vruchtje,  of zoute lemmetje, dat zijn  in azijn gekonfijte limoentjes. Vrouw Lena zat dan heerlijk luidruchtig smakkend te kluiven en het merg uit de kippenbotjes te zuigen.

 Maar de arme Koprokanu zat in de donkere botrali met haar emaille bordje op schoot, te wachten, terwijl de tranen over haar gele sproetige wangen biggelden, omdat zij wist dat zij straks de restjes moest eten en de vaat zou moeten doen.

 

De zusjes waren niet aardig voor haar.  Zij boerden hard na het eten en riepen:

“Schiet op Kopro Kanu, ruim de tafel af”

“ Ruim die borden op en ga afwassen! “

“Schraap de restjes van de borden en ga de honden voeren!”

 

En Kopro Kanu stapelde de borden met restjes kip en groenten en rijst op en ging in de botrali zitten eten. En daarna deed ze de vaat, terwijl de drie zusjes en vrouw Lena lachten en praatten en een middagdutje gingen doen in hun hangmat onder de manjaboom.

 

Achter in de stad bij de begraafplaats woonde Masra Didibri, de Duivel, die vaak over de schutting keek naar de vrouwen op het erf.  Hij wilde vrouw Lena haar drie mooie dochters afhandig maken, want dat deed hij altijd met mooie meisjes, vooral als ze zo uitdagend waren en luidruchtig. En zo smakelijk.

Hij bedacht een plannetje, hoe hij hen te pakken zou nemen en afstraffen.

Want dat was een van zijn methodes.

 

Hij ging naar de smid en vroeg hem zijn tong te vijlen, want hij had een zware mannenstem en wilde die veranderen in een hoge vrouwenstem.

De smid haalde zijn schouders op en vijlde net zo lang aan de duivelstong tot deze in staat was hoge klanken te produceren.

Didibri oefende en oefende en ja hoor, zijn stem was hoog genoeg en hij kon het liedje van vrouw Lena goed nazingen

 

“ Mini Mini kon nyan

   Freyman Bonyo, kon nyan

   Freyman Tanya , kon nyan

   Kopro Kanu , tan de

 

   Mini Mini, kom gauw (eten)

   Freyman Bonyo, kom gauw

   Freyman Tanya , kom gauw

   Kopro Kanu , blijf weg

 

Hij betaalde de smid met een paar goudklompjes. Die waarschuwde hem dat hij vooral geen bacoven mocht eten, want dan zou zijn stem weer zwaar worden.

 

Didibri ging op weg, maar onderweg kwam hij langs de markt en daar zag hij overal stapeltjes lange bananen-bacoven, dikke appelbacoven, pikin misi finga, die kleine zoete, rode ingi bak’ba met hun blozende schillen en ze roken zo heerlijk, dat hij in het voorbijgaan een bacoven van de toonbank griste en snel op at.

Nou dat heeft hij geweten. Want toen hij een vriend tegenkwam en hem groette, was zijn stem weer rauw en zwaar. Hij rende vlug terug naar de smid die sjacherijnig zei: “Het kost het dubbele!” en hoofdschuddend en mopperend weer begon te vijlen aan de duivelstong.

 

Weer had Didibri een hoge vrouwenstem en hij rende deze keer rechtstreeks naar het huisje van vrouw Lena en haar dochters. Hij wachtte tot vrouw Lena boodschappen ging doen en sprong over de schutting, Daar begon hij met zijn hoge vrouwenstem te zingen:
 

“ Mini Mini kon nyan

   Freyman Bonyo, kon nyan

   Freyman Tanya , kon nyan

   Kopro Kanu , tan de

 

   Mini Mini, kom gauw

   Freyman Bonyo, kom gauw

   Freyman Tanya , kom gauw

   Kopro Kanu , blijf weg 

 

Toen de drie meisjes gulzig aan kwamen lopen, pakte Didibri de drie mooie dochters een voor een en draaide ze de nek om, net als de kippetjes die hun moeder altijd slachtte.

Maar Kopro Kanu liet hij lopen.

 

Toen vrouw Lena thuis kwam en haar dochters zocht, hoorde ze Didibri zingen

 

“ Mini Mini no de

   Freyman Bonyo no de

   Freyman Tanya no de

   Kopro Kanu , wan de

 

   Mini Mini, is weg

   Freyman Bonyo, is weg

   Freyman Tanya , is weg

   Kopro Kanu , is er alleen.....

 

Ze viel krijsend en gillend in zwijm.

 Toen ze weer bijkwam, zag ze Kopro Kanu naast zich staan met een glas water en een natte doek.

Vanaf die dag behandelde ze haar enige overgebleven dochter met liefde en genegenheid.

 

De moraal:

Als je meer kinderen hebt, behandel ze dan allemaal gelijk, ook al is de ene mooierof slimmer dan de andere........

 

© carry-ann tjong-ayong    11 april 2011

 
Lees meer...   (1 reactie)


 

Zuinig water

 

Vanmorgen zag ik op de tv een statement, dat wij in de toekomst een speciale kraan gezuiverd drinkwater moeten gaan gebruiken en een andere kraan met minder schoon water voor schoonmaak, toilet doorspoelen en tuin sproeien.

 

Dit doet mij denken aan ons verblijf in de Zuidelijke Yungas van Bolivia,

bij La Paz in de jaren ‘70.

Wij zaten daar om onze dochter Isabel te adopteren, een piepklein beeldschoon Aymara- meisje van 6 maanden met een enorme bos pikzwarte krullen.

De procedure was langdurig en ingewikkeld, maar daardoor konden wij genieten van het mooie dorpje Irupana, aan de voet van de heuvels naar Vila Vila, waar zij vandaan kwam. Wij logeerden bij Pim en Baukje,een Nederlands gezin met hun twee jonge kinderen.

 

Water was in die omgeving een zeer schaars goed.

Een uur per dag sijpelde er een stroompje schoon regenwater uit een pijpleiding uit de bergen. Dan werden er pannen en emmers gevuld.

Een deel werd apart gehouden en gekookt voor gebruik in de keuken en de koffie of thee. Er werd een teil gevuld om de babies en ons zelf te wassen. Twee blonde en een gitzwart kindje zaten schaterend te spetteren in de teil in de tuin

Dit water werd niet weggegooid, maar hierin werden de kleren gewassen.

En tenslotte werd met het vuile water de WC doorgetrokken.

 

Ik was meteen enthousiast over dit economisch gebruik van water en nam mij voor dit in Nederland door te zetten. Ik moest denken aan mijn vader in Suriname, die altijd bestraffend “Kraan dicht!” riep als wij bij het tandenpoetsen het water vrijelijk lieten stromen. Helaas is dit voornemen weer snel verwaterd,  toen terug in dit land het gemak van de kraan opendraaien zich weer opdrong.

Maar in die maanden was ik er van overtuigd dat dit zinvol gedrag was.

 

cat 10/3 2011


Lees meer...
Het laatste huisje.
 
Het houten huisje in de Mgr Wulfinghstraat, dat grensde aan de Sommelsdijkse Kreek is verworden tot een hoop verveloze planken met roestige spijkers. Vorige week stonden ze er nog met z'n drieen, scheef tegen elkaar aangeleund. De middelste was het hoogst, twee verdiepingen met een puntdak.In de rechter was vroeger een fietsenmaker.
In het linker huisje woonde een Creoolse vrouw, die altijd aan het raam zat. Als ik voorbij kwam met mijn schooltas, op weg naar huis in de Prins Hendrikstraat, zei ze steevast:

"Dag meisje, ik ken je moeder, hoor, groet haar voor me".

Ik vond dat zo aardig, dat het mijn vaste route werd. Thuis bracht ik de groeten over en Ma lachte, "Ja, ik weet wie het is".            Mijn moeder was erg bekend en geliefd, want ik kwam altijd wel iemand tegen, die haar liet groeten.  "Dag meisjelief!" Dag mevrouw!"

Hier moest ik aan denken toen ik het oude lege huisje vermoeid tegen het andere zag leunen. Het rechterhuisje lag al in planken in elkaar geslagen op een hoop. De andere twee zouden spoedig volgen.
Ik realiseerde mij dat overal in de stad deze vriendelijke arbeidershuisjes aan het verdwijnen waren, met hun twee raampjes,met jaloezieen of luiken en een gebloemd katoenen gordijntje ter grootte van een kussensloop, een houten deur in het midden en een klein stenen stoepje.

Het was begonnen in de Keizerstraat waar mijn ouma woonde. Ook zij zat altijd aan het raam en maakte een praatje met voorbijgangers. ik hield er van bij haar op de stoep te zitten luisteren naar de roddels uit de stad.Na haar dood werd het huisje verkocht aan een grote ondernemer die het met de grond gelijk maakte.Vergeefs zocht ik naar de plek waar ik zo gelukkig was.

Maar nu zie je steeds minder kleine huisjes en in de grote stenen huizen blijft iedereen boven achter lange gordijnen onzichtbaar zelfs voor de buren. Mijn stad wordt vreemd en onvriendelijk.De vroegere warmte en sociale cohesie verdwjnen met de kleine huisjes.

Wij rijden rond en wijzen elkaar de laatste aan, als zeldzame juweeltjes. "Kijk die! en die!. Ik ken iemand die daar woonde. Zij zijn allemaal naar Holland."

Ik voel me weer een kind op weg naar school, maar ik besef tegelijk, dat ik mezelf voor de gek houd.             Ik ben stokoud. Zo oud als mijn wegkwijnende stad.

cat okt.2010

Lees meer...

Lekkernijen van vroeger en nu.

Vroeger had je van die koekjes, die “ginger nuts”heetten.

Ze zaten in een rol en waren plat, rond, bruin met een grillig oppervlak. Je moest stevig bijten, maar dan had je meteen een mondvol naar gember smakende, kruimelige substantie, die langzaam wegsmolt. Ik was er gek op. Worden zij nog gemaakt? Bij Verkade of misschien bij Jamin? Ik zie ze nooit meer in de supermarkt, die overigens karig bedeeld is met banketbakkerswaren.

Niet zoals indertijd de Hema, waar je een half pond, zelf uitgezochte roomboterkoekjes kon kopen. Daar zaten zandkoekjes met of zonder amandel bij, speculaasjes, kokoskoekjes, stroopwafeltjes, spritsen, kletskopjes, en nog diverse andere lekkere soorten. Ik nam altijd veel zandkoekjes met amandel. Ze waren altijd vers en knapperig of kruimelig. Heerlijk!

In Utrecht had je twee oude Brabantse zusters, die een klein gebakszaakje hadden in de Korte Jansstraat. Nu is het pandje, samen met het belendende een zaak in vloerbedekking geworden, maar ik mis de twee dames, die de meest verrukkelijke, in de mond smeltende Bossche bollen maakten. De chocolade korst knisperde in je mond en smolt dan zachtjes samen met de slagroom uit de forse soes, je keel in. Het recept is met hen verdwenen, want nooit heb ik meer die smaak kunnen terugvinden, zelfs niet in Den Bosch.

Of Oma's appeltaart van Bloemsma in de Biltstraat, naast de fietsenmaker. Er zat een friszuur appelmengsel met amandelspijs in. En de korst was van de juiste zachtheid, licht gekruid. Het vereist vakmanschap om een taart zo volmaakt van smaak te krijgen. Ik kocht ze altijd ingevroren als ik vrienden in het Noorden of Zuiden opzocht. Als je dan na twee uur reizen aankwam, was de taart perfect ontdooid voor bij de koffie.

En dan bakkerij Top op de hoek van de Wittevrouwenstraat en de Plompetorengracht, die de lekkerste sauzijsenbroodjes van de stad bakte. Je kocht ze warm; flinterdun goudbruin bladerdeeg, gevuld met een heerlijk pikant vleesmengsel, waar de geurige roomboter haast afdroop. Top had ook heerlijke speculaasjes, uit grootmoeders’ tijd. Maar die moet je echt bij Kruijmer in Huizen kopen, hoorde ik onlangs.

In de oude bakkerij is nu een lunchroom moderne stijl. Je kunt er een high tea bestellen, allerlei muffins met clotted cream en marmalade als ontbijt nuttigen en lunchen met diverse lekkere broodjes en koeken.

Toen mijn zoon Chris een baantje had bij America Today bracht hij vaak Oreo’s voor me mee. Net als dat jongetje op de tv-reclame, zat ik smullend de vanillecream van de donkerbruine chocoladekoekjes te likken, terwijl hij geamuseerd toekeek.

 

 

“Daarom ben je zo dik!” zei mijn dochter Isabel verwijtend. Maar zij is dan ook een vrouw.

Dat herinnert me aan de chocolade en mokka eclairs, die je hier nooit meer ziet. In Frankrijk des te meer. Die volle, zacht gevulde romige chocolade doortrokken smaak in je mond. Mmmmmm!

Op doorreis naar het Zuiden moet Wim altijd stoppen bij de plaatselijke banketbakker.

En bij de Bijenkorf koop ik altijd versgebakken brownies met walnoten. Je kunt lang doorkauwen met die pure chocolade smaak in je mond en af en toe een nootje laten kraken tussen je kiezen.

Chocola is toch nog steeds mijn favoriete smaak, of het moeten de verse Berlinerbollen met aardbeienjam gevuld van bakker Vermeer uit Paramaribo zijn.Mijn vader bestelde vroeger zo’n groen sodabeschuitblik vol, als we het weekend naar buiten gingen. De hele familie zat dan onderweg onder een boom te smullen.

We gingen ook naar Soda Fountain op Spanhoek en namen dan twee liter cups mee gevuld met pepermunt candy en een willekeurige andere smaak. Om thuis op het grote balcon op te lepelen, terwijl Pa en Ma gezellig babbelden en wij smulden.

Ma maakte in ons buitenhuisje op Neficawipa boyo van cassave met cocos en rozijnen. De geur van dit gebak in de oven deed ons watertanden en wij slopen voortdurend rond de keuken “Is het al klaar?”

 

 

Zij maakte ook in bananenblad gestoomde dokun, van cassave met cocos, cocosmelk en rozijnen.

De nacatamales, die ik later in Nicaragua at, varkensvlees, met groenten en maïsmeel,ook in bananenbladeren gestoomd, deden mij hieraan denken. Ik at ze daar op de markt of bij Guadalupe, waar ik een tijdje logeerde, in de volkswijk William Fonseca.Toen zij haar varken had geslacht sneed ze de hele dag vlees in dobbelsteentjes voor de nacatamales.
 
Al deze lekkernijen of de herinneringen daaraan hebben gemaakt dat ik niet de slanke den ben geworden die mijn zusters zijn. Maar ik heb er intens van genoten en doe dat nog steeds.

 

 

 

 

Lees meer...

Coronie - Paramaribo Express.

De bus komt aanrijden en pikt ons op. Half vijf. Wij zijn niet eens de eerste passagiers. Het is nog donker.
De ochtend is fris en doet gezond aan na een warme nacht.
Bryan, de jonge chauffeur rijdt alle adressen af, soms moeizaam kerend in kleine onverlichte zandstraatjes om zijn dertig passagiers van huis af te halen.
Hier en daar moet een jochie nog zijn schoenen veteren, een oudje nog haar vele plastic tassen ordenen.
De dikke man op de volgende hoek zet geen stap dichterbij tot de bus ook vlak voor hem stopt.

Hetis een Chinese bus, zien we aan de opschriften op deuren en ruiten en bij elke stop klinkt er een onverstaanbare instructie door de luidspreker, als de deur opengaat. Een vinnig Chinees stemmetje, dat ons vast maant snel in en uit te stappen!

Je moet met openbaar vervoer reizen om de mensen te leren kennen.
De mollige moeders met hun beweeglijke kinderschaar: "Dana, ik heb gezegd Ga Daar Zitten!"
De opgetutte, mooi gekapte jonge meisjes in bijna feestjurkjes met blote bruine schouders.
De jongemannen met kunstig gevlochten of kortgeknipte haren, een donkere zonnebril op de neus. "Goedenmorgen mevrouw."groeten ze vriendelijk. Coronianen zijn beleefde mensen.

Leon, met zijn handdoek om zijn onderbroek geslagen, zijn blote buik eroverhangend, reorganiseert bij de beginhalte, de bagage en de laatste passagiers, "Anders passen we niet allemaal! Waar is die invalide man!"

"Is een vrouw!" klinkt het in koor en ik steek schools mijn hand op. Hij knikt goedkeurend.geeft instructies.
En Jantje, een Javaanse jongeman, hijst bij elke nieuwe passagier behulpzaam mijn rolstoel in en uit de bus, vanaf de plek bij de deur.

Ma E en Pa E stappen in vanaf de Cocoslaan, waar ook de moskee van de Javanen is. "Brian stop jij bij die AZ!" Om half zeven rijden we weer eens voorbij ons hotel. We hebben heel Totness gezien.

De zon komt blozend achter rose/lila wolkjes op, glijdt goudkleurig over grassen, struikjes, pluimen en mangobladeren, om tenslotte de hoge, ranke cocospalmen, de trots van Coronie, in de spotlight te zetten.

Het uitzicht is wijds. Door de open raampjes komt de zeelicht ons tegemoet. Het is hier niet zo ondoordringbaar groen, maar licht en overzichtelijk. Het lijkt daardoor veel groter. Ik geniet van het district, waar ooit mijn grootouders opgroeiden, elkaar leerden kennen.

We hebben warm gelunched bij tante Marlene Wijntuin, die vis, varken, kip of alleen rijst met groente serveerde in haar diepe achtertuin aan de lange smalle tafel, met uitzicht op de kwetterende voliere en de groepjes hoge cocospalmen. Vorig jaar zaten we hier bij smeulende cocosbasten tegen de muskieten, maar nu is het droge tijd en zijn ze er alleen in de schemering.

Lucendo Boldewijn rijdt ons rond in zijn taxi. Naar de nieuwe zeedijk, naar de Javaanse wijk, naar de door Bouterse ooit begonnen maar niet afgebouwde huisjes bij het stadion, naar de kermis, waar hij de beste eetstand heeft en leguanenvlees en eieren in geurige saus verkoopt. "Heb jij het wel eens gegeten?"vraagt hij en ik beken enigszins schuldig: "vroeger, als kind..." "Lekker, no? Ik neem om 20.00 uur een pauze, dan breng ik een bakje voor je".
Ik knik maar, dat zal zo'n vaart niet lopen.
Maar om precies acht uur ziet Wim zijn rode taxi bij de poort stoppen en krijgt hij een metalen etensbakje, nog gloeiend warm in zijn handen gedrukt. "Eet lekker!"In het bakje liggen een aantal stukken gebraden vlees in een dikke geurige saus omringd door tien eitjes.
Het ruikt zo lekker dat ik meteen trek heb en Wim zit ook al te watertanden. We proberen de eitjes in hun taaie schil, die je uit moet zuigen. Hmmmm! Onze milieubewuste vrienden zullen nu griezelen en afkeurend kijken. Maar ik herinner mij de schildpadeieren die ik als kind op Lelydorp voor 5 cent bij de Chinees ging kopen bij het station. Samen met mijn nichtje Ninon. We waren er gek op. En later in Nicaragua at ik ze weer.We smullen samen zeven eieren en diverse boutjes vlees op. Moet ik nu boete doen?
Of heb ik mijn straf al te pakken? Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen......

Lucendo rijdt ons naar het openluchtmuseum van Opa Tjon A Fo. Al aan de weg zijn de borden zichtbaar met opschriften als: Coronie's Openluchtmuseum, God is Liefde, Black fights black, Aanwezig, Heropening, etcetera.

Er is een brede plank over de trens, maar niet breed genoeg voor de rolstoel, dus blijf ik in de auto zitten. Opa Tjon komt me begroeten, schudt met beide handen mijn goede rechterhand en kapt meteen een cocosnoot open. Ik drink van het heerlijk koele, zoete water. Ondertussen vertelt hij dat het museum gesloten was maar nu weer open is. Hij wijst op het bord. Ik vertel hem dat ik Jonathan ken,en hij gaat onmiddellijk iets voor zijn kleinzoon halen in het huisje, waar twee honden grommend de wacht houden.

Hij komt terug met twee stukken leisteen, waarop het geraamte van een vis is vastgelijmd. "Kijk zegt hij plechtig, " "Deze vis is door Jezus gevangen, toen er geen eten was en daarom heet hij de kruisvis. Aties probes" Het geraamte vormt inderdaad een gekruisigde figuur met uitgespreide armen."Eén is voor jou en één is voor die kleine jongen", zegt hij plechtig. Ik beloof het cadeautje mee te nemen naar Nederland.

We hobbelen langs de weg in de rijzende zon en de ontwakende omgeving. Een enkele hond, een incidentele haan, soms een groepje prehistorische koeien, wat veelkleurige geiten, een clubje toké's.
Het is stil in de bus, Iedereen dommelt of leest de Times of Suriname. Bryan heeft de radio zachter gezet, na het nieuws.
Bij Kwatta begint het circus opnieuw. Overal worden passagiers afgezet, in zijstraatjes, om de hoek, achteruit terugrijdend.
"Bryan, die straat!" Trouw doet hij zijn ding.
Tenslotte zijn wij in de Waaldijkstraat en helpt hij ons uit de bus.
"Heb je een taxi?"vraagt hij bezorgd. Ik stel hem gerust. John haalt ons op.

De andere bussen staan er al voor de rit terug: PaCo. Zij die Geloven Haasten Niet staat er met sierlijke letters rond het hoofd van de eigenaar geschilderd op de bus die wij heen namen.

Maar of hij dat ook naleefde?

cat 28/9 2010

 

 

 

Lees meer...

Godsakkers

Begraafplaatsen hebben op mij een magische aantrekkingskracht.

Ik zoek ze op waar ik ook ben, in binnen- of buitenland, om de serene sfeer,

de rust die zij uitstralen. En de geschiedenissen die zij vertellen.

Al is het maar een zinnetje: “zij was mijn liefste”

Voor opa, “die de zon kon laten schijnen en ondergaan”

Of alleen maar de leeftijd, “net twee jaar”

Of “in de bloei van zijn leven weggerukt, 21 jaar”

Of een echtpaar, dat samen de dood vond. Wat een tragisch, romantisch lot.

Ik slenter langs de grintpaden die de goed onderhouden grafstenen,

opgefleurd met bloeiende plantjes, verbinden. Boven mijn hoofd wuivende treurwilgen

of statige frisgroene kastanjebomen. Je kunt bijna de geest van de overledenen horen

fluisteren. Zouden zij elkaar kennen, vraag ik mij af. Een ontmoetingsplaats voor

verwante zielen.

Het mooist vond ik het oude rustieke begraafplaatsje in de Ardennen, waar wij

vlakbij kampeerden. De rechtopstaande stenen met oude kruizen waaronder de namen

in prachtig gebeitelde letters. Ik maakte foto’s die ik op de omslag van mijn poëziebundel

wilde plaatsen.

Onderweg op reis stoppen wij vaak langs de weg om even de vredige rustplaatsjes

te betreden.

Alsof je Gods adem over je heen voelt als een zachte mantel.

 

Mijn eigen Hernhutter godsakker, zo prachtig genaamd, in Zeist met de

liggende stenen, bracht mij in vervoering.

Ik ontdekte het graf van mijn favoriete leraar Charles Gullith, die mij

zoveel discipline bijbracht, maar ook zoveel aandacht voor de boeken

van de bijbel, de gezangen uit het liedboek, die ik nog steeds hoor.

En die kleine verscholen begraafplaatsjes tegen de berghellingen

van de Andes.Met hun simpele kruisen. De opeengestapelde graven in

La Paz, met achter de glazen ruitjes een oude foto, een verdord boeket

Ontroeren mij even zeer.

Ik ontdekte op de begraafplaats van Joden Savannah, aan de Surinamerivier,

de grafstenen van mijn voorouders Henriquez de Granada. De laatste telg,

mijn grootvader Samuel, stierf in het concentratiekamp Theresienstadt in 1944.

Van hem rest ons geen graf om te bezoeken, mijn handen te laten rusten op de grijze steen,

warm in de middagzon.

Cat 28/7 2010

























 

 

 

Lees meer...
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl